Tv Special

De beroemde platenbaas producer Freddie Haayen begon zijn glansrijke carrière als werkstudent (hij studeerde architectuur) bij Polydor records waar hij halverwege de jaren zestig platen in dozen verpakte. De proactieve houding van Haayen stemde zijn baas zeer tevreden, waardoor hij een baan aangeboden kreeg. Haayen ging er niet direct op in, maar na een studiereis naar Egypte besloot hij toch een poging te wagen.

In 1965 luisterde hij naar deze zender die alleen op de middengolf te bereiken was. De debuutsingle van een nieuw Brits bandje met de naam “The Who” werd opgezet en trok onmiddellijk zijn aandacht. Toen hij het plaatje wilde kopen kwam hij bedrogen uit aangezien het niet in de schappen lag. Hij klopte aan bij zijn toenmalige baas Bert Buinink om te vragen waarom dat zo was. Zijn enthousiasme over de band moet aanstekelijk geweest zijn aangezien Buinink hem naar Londen stuurde om verandering in de zaak te brengen.

Met een contract voor de Nederlandse uitgifte van maar liefst vijf platen keerde Haayen uit Engeland terug.

Nadat Haayen The Who bij Polydor onder contract had gebracht zocht hij naar manieren om de band in Nederland te promoten. Hij stuurde tapes naar AVRO-regisseur Bob Rooijens die de band interessant genoeg vond om een TV-special van hen op te nemen. De opname hiervoor vond plaats op maandag 20 september 1965 in de Amsterdamse Bellevue studio. 

Wegens een dikke mist was The Who genoodzaakt om per veerboot in plaats van per vliegtuig naar Nederland te komen. Zij arriveerden in Hoek van Holland en logeerden in het Wilhelmina Hotel te Delft. Volgens velen werden er alleen gitaren meegenomen, maar de inmiddels overleden Jaques Senf die het optreden van de volgende dag op touw had gezet, heeft meerdere keren te kennen gegeven dat Keith Moon vanuit zijn hotelkamerraam een drumstel (en wat huisraad) naar beneden had gesmeten, waardoor het onbruikbaar was geworden.

Foto reportage van het whiskey incident uit de Muziek Parade

Tijdens de opname van de special moeten zij die achter de mengpanelen, camera’s en andere apparatuur stonden niet echt blij zijn geweest met de komst van de vier Britten, die in hun ogen een “zooitje ongeregeld” waren. Bij voorgaande artiesten werd meestal geplaybackt, maar voor The Who werd, waarschijnlijk op verzoek van het management, een uitzondering gemaakt.

Dat zorgde bij de aanwezige geluidstechnici voor enige zweetdruppeltjes op het voorhoofd, omdat het geluid van The Who hard, onberekenbaar en rauw was, wat het moeilijk maakte om de juiste instelling op de mengtafel te vinden. Daarbij was het geluid zo hard dat instructies die via de koptelefoons werden gegeven, niet werden gehoord. Op de deelnemers van het publiek leek de groep weinig indruk gemaakt te hebben omdat deze, hoewel er enthousiast gegild werd toen de gordijnen opengingen, als enige hun kalmte wisten te bewaren. De woorden die Pete Townshend later over deze show sprak bevestigen het koele gedrag van de toeschouwers. Hij vond de hele show ‘geen moer aan’.

Roger Daltrey had bij de overtocht kou gevat en vroeg een fles whisky om zijn stem weer op peil te krijgen. Producent Bob Rooijens wilde hier niet aan tegemoetkomen en liet Roger weten dat hij kon kiezen tussen zingen of vertrekken. Gelukkig zag Freddy Haayen kans om een fles whisky binnen te smokkelen, zodat Roger toch nog zijn zin kreeg.

Onder het publiek dat uit enkele tientallen personen bestond, bevonden zich ook de Golden Earrings die door Haayen waren uitgenodigd.


The Who live in Studio Bellevue

The Who speelde een setlist van 14 nummers waarvan er drie afkomstig waren van de band zelf. De rest, op ‘Bald Headed Woman’ na, waren allemaal covers van Amerikaanse artiesten. Als binnenkomer speelde ze Chris Kenners ‘Land Of 1000 Dances’ waaraan Cannibal And The Headhunters later het bekende riedeltje “Naaah na-na-na-na” had toegevoegd. The Who speelde de laatste versie. Daarop volgde ‘Daddy Rolling Stone’, een nummer uit 1953 van Otis Blackwell. The Who speelde de minder ingetogen versie van Derek Martin die in 1963 op single verscheen, gevolgd door Jump Back van Rufus Thomas (USA 1964.)

The Who, 1965 Studio Bellevue – Jump Back


Daarna kwam een lekkere strakke versie van ‘I Can’t Explain’ gevolgd door ‘Dancing In The Street’, waarbij John Entwistle de vocalen van Roger overnam. Roger nam de leiding weer over op ‘Bald Headed Woman’ dat door Shel Talmy werd geschreven en door vele beat bandjes van die tijd op plaat werd gezet. ‘Anyway, Anyhow, Anywhere’ was even explosief als de versie die we kennen van de plaat. Daarna volgden weer een aantal Amerikaanse songs, waaronder twee songs van de The Everly Brothers (‘Love Hurts’ en ‘Man with Money’) en drie songs van James Brown die enkele maanden later op het album ‘My Generation’ terecht zouden komen.

Natuurlijk werd er afgesloten met ‘My Generation’, een nummer dat nog niet in zijn bekende vorm was opgenomen en meer dan een maand later zou uitkomen. Het eindigde met een enorm korte climax die, hoewel de instrumenten er aardig van langs kregen, niet in een echte slooppartij eindigde.

Het opnemen van de special gebeurde in twee delen en het concert werd de dag daarna om 20.01 uur op Nederland 2 uitgezonden.

De AMPEX-banden van de tv-special zijn later gewist omdat ze kostbaar waren en vaak werden gebruikt voor nieuwe opnamen. Desalniettemin zijn er toch opnamen van het concert bewaard gebleven. Een van de concertgangers had in een schooltas stiekem een bandrecorder meegesmokkeld waarmee hij het hele concert heeft vastgelegd.